Ik wenk de barman nog een
mojito in te schenken. De jongeman, halverwege twintig, met een zo kenmerkend dun snorretje dat de bovenlippen van de vele Hispano’s hier siert, danst kwiek naar mijn tafeltje. ‘
Por favor, señor’, glimlacht hij. Hij heeft mijn zenuwachtigheid overduidelijk in de gaten. ‘
You are waiting for somebody, sir?’ vraagt hij.
Het is morgen precies twee weken geleden dat ik aankwam. De wachtrijen op José Martí Airport vielen best mee; een taxi had ik zo geregeld. Nee, niet zo’n prachtige Amerikaanse slee uit de jaren vijftig, dat niet, maar een gewone onbeduidende auto die me netjes afzette op de laan met palmbomen voor het hotel. Hotel Nacional, een van de relikwieën van voor de revolutie. Uit de tijd dat Amerikaanse toeristen hier kwamen om hun geld te vergokken en zich te vergrijpen aan het vele vrouwelijk schoon dat Cuba toon ook al bood. Castro zette daar een dikke streep onder. En ik begrijp hem.
Eerst viel ze me niet eens zo op. Gewoon, een mooie jonge vrouw zoals er hier vele zijn. Met een keurig baantje in de toeristensector. Pas toen ik me verdiepte in de excursies die zij verkocht, raakte ze me. Haar vrolijke krullen, haar olijfgroene ogen, haar ranke figuur. Er verscheen een kuiltje in haar wang toen ze met tuitende lippen naar me lachte. De dagexcursie die ik boekte, naar de tabaksplantages van Viñales, boekte ik vooral om haar een plezier te doen.

En hoewel ik van plan was het hele land door te reizen, ben ik twee weken lang hier in Habana gebleven. Vanwege haar. Ana blijkt bijna tien jaar jonger dan ik. En geen minuut is ze uit mijn gedachten geweest. Elke stap die ik zet in de broeierige straten, elk cafeetje waar ik neerstrijk, elke keer dat ik langs de woest beukende oceaan loop; alleen maar denk ik aan Ana. Ik praat denkbeeldig met haar in mijn gebroken Spaans. En zij praat terug in haar gebroken Engels. In werkelijkheid hebben we niet eens heel vaak afgesproken in die twee weken. Maar ik ben compleet voor haar gevallen…
Het is nog steeds warm buiten. De zon gaat half februari net zo vroeg onder als bij ons in Nederland, met dat verschil dat de temperaturen hier ’s zomers zijn. Een vreemde gewaarwording is het. In het drinklokaal zorgt de plafondventilator voor enige verkoeling. Een muzikant met een gitaar onder de arm stapt binnen. Hij praat op gedempte toon met Juan, de jongen achter de bar. Het is ongelooflijk hoe muzikaal de Cubanen zijn. In elk restaurant, café of ‘
paladares’ wordt live muziek gemaakt. Vanavond besteed ik er nauwelijks aandacht aan. Vanavond is mijn laatste avond hier, en daarmee is het de laatste kans om mijn liefde aan Ana te bekennen.
Ik heb er lang over nagedacht hoe ik dat zou doen. Zoals ik over alles lang nadenk. Te lang, vaak, in dit soort situaties. Bedachtzaamheid is niet de beste eigenschap van een goed minnaar, vertelde een vriend me eens. De subtropische warmte, de verkwikkende aanwezigheid van Ana, de zwoele muzikale tonen en vooral de dwingende deadline van mijn aanstaande vertrek, hebben mij tot een daad gebracht.

In de lobby van het Hotel Nacional is een juwelierszaakje dat de betere merken vertegenwoordigt hier op Cuba. Een paar maal ben ik er al langs gelopen. Vanmiddag staat er een sympathiek ogende jongen achter de toonbank, ik heb hem nog niet eerder gezien hier. Verlegen als ik ben, kom ik snel ter zake. Ik wijs een prachtig collier van Bulgari aan. Goud, van een redelijke fijne structuur, met witgouden details ingezet. Onderaan een hangertje met een twaalfpunts diamant. VVS, natuurlijk. Door een ingewikkelde BTW-constructie blijkt het collier bijna twee keer zo duur als het prijskaartje aangeeft. Kennelijk ziet de jongen mijn blik. Hij lacht vriendelijk: ‘
Shall I pack it as a gift?’. Ik knik van ja.
En terwijl ik mijn credit card zoek, gaat hij naar achteren. Even later komt hij terug met een voor Cubaanse begrippen heel net ingepakt pakje. En met zo’n ouderwetse rolmachine om een afdruk van mijn card te maken.
En hier zit ik nu te wachten op Ana. Het pakje past net in de binnenzak van mijn zomercolbert. Valentijnsdag in Havanna. Mijn derde mojito is al half op, als zij het cafetaria binnenloopt. Of beter gezegd: binnen danst. Binnen schrijdt. Haar bewegingen zijn gracieus als van een engel, haar lach vult zwoel de ruimte. Ze draagt een jurkje dat haar lichaam nog beter doet uitkomen. We praten wat, we houden elkaars hand vast. Als ze lacht, ben ik een paar momenten weg van de wereld. De gitarist speelt liefdesklanken en loopt langs de tafeltjes.
Dit is het moment, denk ik. De Spaanse woorden die ik wil spreken, ben ik vergeten. Het doet er ook niet toe. Ik haal het collier uit mijn binnenzak. Ana kijkt me verrast aan. Haar ogen twinkelen. Die twinkeling waar ik zo verliefd op ben geworden in het warme Havanna. Terwijl ze het cadeau aanpakt, kijkt ze me diep aan. Vragend. Ik kan geen woord meer uitbrengen. Langzaam maakt ze het pakpapier open…
Plotseling wordt haar blik dof. En slaat meteen over in vurig. Anders vurig dan ik had gedacht. Haar onderlip trilt. Ze kijkt me aan. Uh, wat is dat? Ze lijkt wel boos. Ach, dat Cubaanse temperament ook. Neen, ze ís boos. Woedend! Haar mond trekt, haar ogen worden nauw. ‘
You pig!’ bijt ze me toe. Ze staat plotsklaps op. Haar stoel wankelt. Met driftige passen loopt ze het café uit, mij verbouwereerd achterlatend.
Het pakpapier ligt op tafel in een prop, met de Bulgari doos ernaast. Leeg.
Twee kilometer verderop, in de grote betonnen woonkazernes van La Habana. Ik ken ze niet, ben er nooit geweest. En ik weet ook niet, dat op precies datzelfde moment Juanita haar vriend om de hals valt. Die vriend, is dat niet die jongen uit de juwelierszaak?
Zij is blij, dolgelukkig. Een prachtig Bulgaricollier heeft ze van hem cadeau gekregen. Voor deze Valentijnsdag.
Een collier zonder doos weliswaar. Maar wat kan haar dat schelen…?